Geschiedenis Hingene
Uit de akte van Wenemaar (1100) leren wij dat Bornem op dat moment twee afhankelijkheden heeft: Havekesdunc (Nattenhaasdonk) en Hinken (Hingene). Havekesdunc is op dat ogenblik belangrijker dan Hingene.
Nattenhaasdonk heeft veel geleden onder herhaalde overstromingen. Daardoor ontstaat een vlucht naar hogergelegen plaatsen. Toch keren bewoners steeds terug naar de huizen in de omgeving van de kerk, naast het Nethof. Tijdens de godsdienstoorlogen wordt de kerk verwoest en het afbraakmateriaal wordt gebruikt voor de bouw van fort Sint-Margriet om de Rupelmonding te beschermen. De kerk wordt nogmaals herbouwd tussen 1603 en 1616. De grote overstroming van 1825, waarbij een groot deel van het Scheldeland onder water loopt, wordt fataal voor Havekesdunc. De bewoners zoeken hogerop, in Wintam, een betere plaats voor de bouw van een nieuwe kerk en starten met de bouwwerken op 20 mei 1828. Tabernakel en portieken worden gerecupereerd en herbruikt in de nieuwe kerk, gewijd aan de H.-Margaretha. De Pastoor Huveneersheuvel is de laatste getuige van de strijd tegen het water. In de nabijheid is het museum de "Havesdonkhoeve" ingericht.
Wintam, oorspronkelijk een schippersgehucht gelegen tegen de Rupel, heeft zich geleidelijk naar hoger gelegen gronden ontwikkeld.
Hingene is door de giftbrief van Wenemaar als parochie aanvankelijk ondergeschikt aan Nattenhaasdonk. Een akte van 1674 zegt dat Hingene "filiaal" is van Nattenhaasdonk. De bewoners van Hingene hebben deze tekst altijd betwist en stelden steeds dat het om een vervalsing ging.
De Sint-Stephanuskerk die een oude kapel had vervangen, wordt in 1897, met uitzondering van de toren, het bakstenen koor (15de eeuw) en een deel van de rechterkruisbeuk afgebroken. In 1906 wordt de nieuwe kerk ingewijd. Op de plaats waar nu het kasteel van Hingene staat, wordt in 1120 het "hof te Hingen" vermeld. Het gebouw wordt grondig vernieuwd in 1767. De familie d'Ursel neemt er zijn intrek. In 1973 koopt de gemeente Hingene het domein. In 1979 wordt het kasteel en het Laathof overgedragen aan de Vlaamse Gemeenschap. Sinds 1994 is het kasteel eigendom van de provincie Antwerpen.
Het classicistisch gebouw "De Notelaer", thans het Toeristisch Recreatief Onthaalcentrum van de Schelde, is in 1794 gebouwd door architect Paeyen, in opdracht van hertog Wolfgang-Willem d'Ursel, naar een concept van de Parijse architect, Charles de Wailly. In de boogvelden boven de vijf ramen zijn basisreliëfs aangebracht in stuc die de Schelde en haar bijrivieren: de Rupel, de Leie, de Dender en de Durme voorstellen.
Eikevliet (1248 den Eike) is een dorp waar nog een "echte" gemeenschap bestaat. De huizen zijn gebouwd in de schaduw van de kerk. De Vliet, bijrivier van de Rupel, is bepalend geweest voor de activiteiten en de handel van de bewoners. Het overstromingsgevaar is een permanente bekommernis geweest. Onuitwisbare herinneringen zijn: het oude ophaalbrugske, de Slijkhoek en het Spuistraatje.
De Eikevlietenaren zijn voor hun kerkdiensten lang afhankelijk geweest, ofwel van de paters van St.-Bernaerd (Hemiksem) ofwel van priesters uit Puurs. De diensten gebeurden in een kapel die werd opgericht in de 16de eeuw. Deze raakte vervallen en de inwoners bleven hardnekkig strijden voor de oprichting van een nieuwe kerk. Deze wordt in 1778 gebouwd rond de laat gothische toren van de oude kapel en wordt vergroot in 1836 en gewijd aan de Heilige Lambertus.